Categorieën
Schrijven

It Dockumer Lokaeltsje

Op de fiets reden ze naar het oude stationsgebouw wat nog steeds een oud stationsgebouw was, de verf verkleurd, de vensterbanken onder de ramen kromgetrokken of scheefgezakt. Maar tussen de  rails was de begroeiing verwijderd, net als tussen de perrontegels. Er was vers grind gestort. Het grote gat in de overkapping was dichtgemaakt en de palen stonden weer te ondersteunen in plaats van dat ze op omvallen stonden. Roestvrij geschuurd en zandkleurig geschilderd, dezelfde kleur als de bakstenen van het oude stationsgebouw, bood het geheel een nostalgische aanblik, zeker toen de avondzon door de wolken brak, de zandtinten opwaardeerde naar echt geel, het rood van het stationsdak en het roestige van de rails liet opvlammen. Opgewonden wees Armin zijn vader op de rails naast het perron, waar het zilverkleurige staal bewees dat er weer een trein reed.

“Ik hoor hem al,” zei papa. Hij stak zijn vinger in de lucht en wees naar waar de trein vandaan kwam. Ook Armin hoorde de trein nu fluiten. Op het perron dromden mensen samen, uit ieder van de drie dorpen in de buurt. De voertaal was Fries. Kinderen maakten zich los uit de kluitjes mensen om het perron op te rennen. Vaders of moeders schoten erachteraan omdat een zwarte locomotief in zicht kwam. Uit de schoorsteen kringelde grijze rook die door de zwakke wind over de rij bomen langs het spoor, waarvan de bladeren aarzelend geel kleurden, in de richting van de grote weg geblazen werd. Daar hielden auto’s in en dreigde een file te ontstaan.

Langzamer dan de grote gele treinen op het station in de stad, bereikte de locomotief het perron en schreed erlangs. Arnim stond stil, zijn hand vastgehouden door die van zijn vader, zijn lijf zo vol opwinding dat hij een beetje op en neer stuiterde. Reikhalzend bekeek hij de naderende wagons, de grote ramen open ondanks de frisse avondwind, rode gezichten met daaromheen wild wapperende haren, mensen die zwaaiden of begroetingen riepen naar het publiek.

De locomotief floot opnieuw. Het was een geluid dat op de mensen om Armin heen, inclusief zijn vader, geen ander effect scheen te hebben dan nog wat meer uitgelatenheid. Bij Armin gebeurde iets anders. Het horen van het geluid vroeg niet alleen het uiterste van zijn oren, maar het geluid overspoelde en overvoerde zijn zintuiglijke waarneming, zijn hersenen waar een reis naar verre oorden abrupt onderbroken werd, en ook zijn lijf, waar het geluid zijn zenuwbanen en spieren binnendrong, resoneerde met zijn hartslag, zijn levensritme.

Armin wilde het geluid verdragen, maar kon er niet tegen. Zijn benen wilden wegrennen, maar hij dwong zichzelf te blijven. Wegrennen kon hij niet maken. Hij was degene die had gezeurd om naar de trein te mogen. Maar zodra hij besloot te blijven staan, werd hij doodsbang voor de volgende stoot op de stoomfluit. Die kwam op het moment dat de wielen begonnen te piepen, de koppelstangen daartussen alleen nog in slow-motion bewogen.

“Wat heb je toch?” sprak papa, terwijl Armin het geluid van de fluit probeerde te blijven verdragen.

“Ik kan niet zo goed tegen de stoomfluit,” bekende hij uiteindelijk.

Zijn vader kneep in zijn hand, en vervolgens ging het in looppas naar de andere kant van het stationsgebouw, van de zon naar de schaduw, van de drukte naar de verlatenheid. In looppas ging het richting fietsen. Armin durfde niet te zeggen dat hij vanaf hier, met meer afstand tot het onverdraaglijke geluid, best zou willen blijven kijken naar het uitstappen van de mensen die uit de stad kwamen, het instappen van mensen uit de drie dorpen. Observeren welke verschillen er waren behalve de taal die ze spraken, want de mensen uit de stad spraken Luwaddes in plaats van Fries.

“Ik dacht dat ik je een plezier zou doen met dit uitje,” sprak papa, bij de fietsen. Hij duwde de sleutel zo onbeheerst in het slot dat het knersend opensprong. Een geluid waar Armin eigenlijk ook niet zo goed tegen kon.

Zwijgend haalde Armin zijn eigen fiets van het slot. Het gevoel dat hij zijn vader teleurstelde, leek op het gevoel dat het geluid van de stoomfluit in zijn binnenste veroorzaakte. Toen ze wegreden, keek hij om naar de trein en de mensen. Hij voelde teleurstelling dat ze daar geen deel meer van uitmaakten, maar een even zo grote opluchting dat hij ontsnapt was aan de fluit. Vervolgens moest hij aanzetten om zijn vader te kunnen bijbenen.

Categorieën
Schrijven

Scène Madeleine

Het veld oogde grauw nu het gerooid was, maar nog steeds geurde het naar ui. Zoals vroeger toen ik een jongetje was, waar nog zoveel uit kon groeien, nog zoveel wel of niet van terecht kon komen, als hij maar op eigen kracht vooruit kon komen, op deze voor een mannetje van 5 jaar oud zo lange weg van Zaamslag naar Reuzenhoek, op een mooie dag dat moet gezegd, maar de wind liet desalniettemin de aarde boven het kaalgeslagen veld verstuiven, een wind die uit Noordwestelijke richting blies, zodat de nog immer prominente geur, op zichzelf staand te penetrant om ervan te genieten, zich mengde, zich  verzachtte, met de zilte geur van de zee, schuilgaand achter de in de verte opdoemende, doodstil wakende dijk.  

De man die naast me fietste, mijn vader, merkte de moeite die het kostte om de trappers rond te krijgen, de grote wielen, nochtans zoveel kleiner dan die van zijn vader, en de kleine steunwieltjes die piepten boven de het zachte fluiten van de wind, die nu juli naderde warmte bracht in plaats van verkleuming. Papa plaatste zijn hand in mijn nek en gaf me steun zodat ik mijn kleine beentjes met hernieuwd elan liet rondpompen.

“Vlas,” sprak mijn vader, toen na het passeren van een slootje een volgend veld zich aandiende, pluimen die minder hoog reiken en minder goudgeel kleuren dan tarwepluimen, toch heen en weer buigend op de wind, pal tegen, nog te lang om me al te verheugen op moeiteloos vooruitkomen, wat pas het geval was voorbij de tot een hoek samenvloeiende bochtige dijkjes, met arbeidershuisjes ernaast of ertegenaan geplakt. Ik was trots dat ik al trappend mijn vader bijbeende, dat mijn kleine schaduw in de berm parmantig zijn grote schaduw op de hielen bleef zitten. Zo groot als papa toen was, was ook het land waarin we fietsten, zonder voortekenen dat de lange weg die we reden ooit een kippeneindje zou worden, de weidsheid van dit land ooit zou benauwen, de grootsheid van papa zou krimpen, want de hand van de man die me steun en richting gaf, behoorde toe aan iemand die zich diep van binnen veel te klein voelde om zo’n grote schaduw te werpen.

Ruimte innemen zoals Zeeuwse akkers doen, durfde papa niet, want het ontbrak hem aan de overtuiging dat zoveel ruimte hem gegund kon zijn. Ik was tevens trots dat ik het gewas op een volgend veld correct benoemde, mijn vader plezierde door te weten dat de eindeloze rijen, op de plaats rust als soldaten op een parade ter ere van iemand die door een partij-ideologie vele malen groter gemaakt was dan zichzelf, aardappelplanten waren, want mijn vader deed erg zijn best me kennis bij te brengen over gewassen. Vader noch zoon bevroedde dat de kennis die doelbewust van vader op zoon overgedragen werd, die van tarwe, vlas, maïs en aardappels, mettertijd geruisloos weer verloren zou gaan, terwijl de kennis die onbewust en onbedoeld overgedragen werd, die van het hart te klein en bang om ruimte in te mogen nemen, veel langer zou beklijven, tot en met de dag van vandaag een geur die op onbewaakte momenten als uit het niets meegevoerd wordt op de wind, vaker niet dan wel verzacht door een zilte geur van zee.