Categorieën
Schrijven Sfeerimpressie

Forens

Ruben wachtte tot de mensen die haast hadden zichzelf naar binnen gewrongen hadden. Daarna klonk de schrille toon die het dichtklappen van de deur aankondigde en daarna stapte hij in. De plek waar hij het liefste stond, was vrij, buiten bereik van de deur en niet in contact met de mensen die bij de paal in het midden van het gangpad een lus vasthielden. Knokkels wit. Hij leunde met zijn rug tegen de wand en omhelsde zijn tas voor zijn buik. Wel wat maar niet veel overtollige kilo’s. De metro raasde de donkerte van zijn tunnel in. Ruben liet zijn ogen dwalen langs zij die zaten. Drie meisjes die meer bovenop dan naast elkaar zaten, onafgebroken ratelend terwijl ze elkaar kleurige schermpjes toonden. Een jongeman met getrimd baardje, zijn gezichtsuitdrukking verscholen achter zijn hoodie, een grote tas tussen zijn voeten. Twee elegant geklede, opgemaakte vrouwen die jurkjes geshopt hadden en nu geurtjes uitprobeerden op armen die niet zo lang geleden ergens zon hadden gezien. Pal daarnaast twee vrouwen met ook een tas vol kleren, hun ogen vermoeid van de dag en hun bolle, grove wangen vermoeid van het leven.

Ruben hield van toeschouwer zijn. Hij hield zelfs van het gevoel er niet bij te horen. Een gevoel dat hij regelmatig had, ook in andere situaties dan in de metro op weg naar huis. De eerste helft van zijn leven had in het teken gestaan van vechten tegen dat gevoel, van ondernemingen om dat gevoel op te heffen, of het er dan toch tenminste onder te krijgen. Het was hem niet gelukt, maar wel was hij verzoend geraakt met zijn plaats langs de zijlijn. Het kon hem niet langer schelen, de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hij nooit in het brandpunt van de belangstelling zou komen te staan, zoals bijvoorbeeld de jongen in hippiekleren met hipsterbaard, met een sprong ingestapt op Levendael. Met een glimlach waarin iets heiligs blonk, bracht hij zijn gitaar in positie, en met opvallend veel ogen gericht op zijn in kunstlicht lijkbleke gezicht, sloeg hij akkoorden aan en begon te zingen. Toen Ruben het lied herkende, kreeg hij het even warm. Het was een lied wat hij vroeger vaak draaide. Hij prevelde een stukje tekst mee:

The downtown trains are full
Full of all them Brooklyn girls
They try so hard to break out of their little worlds

Helaas, al zong de jongen opvallend luid, hij zong ook vals, met een hinderlijk sterk accent en een atypisch hoge stem, vergeleken met die van de originele vertolker. Bijna niemand keek nog of zong mee toen hij met meer overgave dan techniek Will I see you tonight on a downtown train? eruit gooide. Vervolgens brak hij het nummer met een onnatuurlijk slotakkoord af, nam zijn pet af en ging rond met zijn meest ontwapenende lach. Geen vetpot, dacht Ruben, toen de deuren op Zuiderkade openklapten en de tot boven zijn schouder omhooggestoken gitaar van de jongen in een drukke massa verdween.

Ruben zakte behoedzaam neer tussen een jongeman die druk in de weer was met zijn mobiel en een vrouw van ongeveer zijn leeftijd, die hem een lach schonk alsof ze oprecht blij was hem te zien, maar vervolgens ook verzonk in haar schermpje. Bijna iedereen om hem heen had nergens anders oog voor dan zijn of haar schermpje. Ruben spotte een man, strak in het pak maar wilde piekharen, die voor zich uitstaarde met een zweem van een  glimlach, alsof hij een goede dag op z’n werk had gehad. Of misschien bedacht hij manieren om de liefde van zijn leven ten huwelijk te vragen. Een vrouw met geblondeerde haren las een boek. Ondanks dat de titel van het kaft werd geschreeuwd, was het te ver weg voor Ruben om te kunnen ontcijferen. Hij moest toch echt eens langs de opticien nu.

Elke avond koos hij iemand uit op wie hij zou kunnen vallen, als hij niet al voorzien was natuurlijk, en als hij zo’n avontuur zou aandurven, zou durven dromen dat het wederzijds was. De blondine was deze keer de winnares. Direct nadat hij dit in stilte wereldkundig had gemaakt, keek ze op, schoot van haar plek en liep naar de deur. Ze beantwoordde zijn blik, met ogen die iets hadden wat Ruben lief vond, maar echt enthousiasme ontbrak. Het aantal mensen dat op het perron wegliep, was inmiddels groter dan het aantal mensen dat achterbleef, nog even verder moest. De metro kwam schuddend bovengronds, links van het spoor donkere portiekwoningen, rechts auto’s en stoplichten, met verlichte winkelruiten aan de overkant, de groenteboer, een telefoonwinkel, wasserette, supermarkt. Overal liepen mensen waarvan je kon zien dat ze haast hadden, ondanks dat de metro veel sneller bewoog. Meteen na die gedachte remde de lange, verlichte slurf af bij het voorlaatste station en Rubens eindpunt.

Hij stopte zijn handen diep in zijn zakken toen hij het perron betrad. Zijn adem vormde wolkjes in de van donkerblauw naar zwart verkleurende avondlucht. Terwijl hij zichzelf in gang zette richting uitgang, dacht hij nog eens terug aan de blondine. De herinnering aan het stuk rank been wat hem passeerde toen ze uitstapte, tussen rok en laarzen in maillot verpakt, wond hem op. Hij ergerde zich aan zijn eigen verlangen. Hij vond het misplaatst en buitensporig om zo lang terug te denken aan een willekeurige passant. Alsof de gedachte dat hij die vrouw nogmaals zou ontmoeten en dat ze dan met elkaar mee zouden gaan, ook maar enigszins realistisch was.

Ruben lachte hardop, voor hij als laatste van een paar reizigers de straat en een stoplicht bereikte. Hij dacht aan de vrouw met wie hij samenwoonde. Hij verlangde naar haar kus, haar aanhankelijk warme lijf. Hij verheugde zich op de boerenkool die ze hem eerder vanmiddag via een appje beloofd had.

Tom Waits – Downtown Train