Categorieën
Schrijven

Scène Madeleine

Het veld oogde grauw nu het gerooid was, maar nog steeds geurde het naar ui. Zoals vroeger toen ik een jongetje was, waar nog zoveel uit kon groeien, nog zoveel wel of niet van terecht kon komen, als hij maar op eigen kracht vooruit kon komen, op deze voor een mannetje van 5 jaar oud zo lange weg van Zaamslag naar Reuzenhoek, op een mooie dag dat moet gezegd, maar de wind liet desalniettemin de aarde boven het kaalgeslagen veld verstuiven, een wind die uit Noordwestelijke richting blies, zodat de nog immer prominente geur, op zichzelf staand te penetrant om ervan te genieten, zich mengde, zich  verzachtte, met de zilte geur van de zee, schuilgaand achter de in de verte opdoemende, doodstil wakende dijk.  

De man die naast me fietste, mijn vader, merkte de moeite die het kostte om de trappers rond te krijgen, de grote wielen, nochtans zoveel kleiner dan die van zijn vader, en de kleine steunwieltjes die piepten boven de het zachte fluiten van de wind, die nu juli naderde warmte bracht in plaats van verkleuming. Papa plaatste zijn hand in mijn nek en gaf me steun zodat ik mijn kleine beentjes met hernieuwd elan liet rondpompen.

“Vlas,” sprak mijn vader, toen na het passeren van een slootje een volgend veld zich aandiende, pluimen die minder hoog reiken en minder goudgeel kleuren dan tarwepluimen, toch heen en weer buigend op de wind, pal tegen, nog te lang om me al te verheugen op moeiteloos vooruitkomen, wat pas het geval was voorbij de tot een hoek samenvloeiende bochtige dijkjes, met arbeidershuisjes ernaast of ertegenaan geplakt. Ik was trots dat ik al trappend mijn vader bijbeende, dat mijn kleine schaduw in de berm parmantig zijn grote schaduw op de hielen bleef zitten. Zo groot als papa toen was, was ook het land waarin we fietsten, zonder voortekenen dat de lange weg die we reden ooit een kippeneindje zou worden, de weidsheid van dit land ooit zou benauwen, de grootsheid van papa zou krimpen, want de hand van de man die me steun en richting gaf, behoorde toe aan iemand die zich diep van binnen veel te klein voelde om zo’n grote schaduw te werpen.

Ruimte innemen zoals Zeeuwse akkers doen, durfde papa niet, want het ontbrak hem aan de overtuiging dat zoveel ruimte hem gegund kon zijn. Ik was tevens trots dat ik het gewas op een volgend veld correct benoemde, mijn vader plezierde door te weten dat de eindeloze rijen, op de plaats rust als soldaten op een parade ter ere van iemand die door een partij-ideologie vele malen groter gemaakt was dan zichzelf, aardappelplanten waren, want mijn vader deed erg zijn best me kennis bij te brengen over gewassen. Vader noch zoon bevroedde dat de kennis die doelbewust van vader op zoon overgedragen werd, die van tarwe, vlas, maïs en aardappels, mettertijd geruisloos weer verloren zou gaan, terwijl de kennis die onbewust en onbedoeld overgedragen werd, die van het hart te klein en bang om ruimte in te mogen nemen, veel langer zou beklijven, tot en met de dag van vandaag een geur die op onbewaakte momenten als uit het niets meegevoerd wordt op de wind, vaker niet dan wel verzacht door een zilte geur van zee.      

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *