Categorieën
Schrijven

Schrijven of gelezen worden

Hoe kan het dat op sommige dagen woorden komen en op andere dagen niet. Op sommige dagen stromen de woorden en is het eindresultaat een rivier waarvan het wateroppervlak op verrassende manieren zonbeschenen schittert. Op andere dagen stroomt er hooguit modderige prut. Het is ook perceptie, de inschatting of het mooi stroomt of pruttelt als drek. Mogelijk is het voornamelijk perceptie.

Soms lijken de woorden relevant, zingevend en een toevoeging aan de wereld. Maar soms lijkt het schrijfsel overbodig, nietszeggend of irrelevant voor wie dan ook. Navelstaarderij.

Waarom is het zo belangrijk wat de wereld ervan vindt, zelfs voordat de woorden geschreven zijn, voordat vaststaat dat het verhaal af gaat komen, ver voordat sprake kan zijn van publicatie en andermans oordeel. Het eigen oordeel lijkt vaak meer te bederven dan dat het een functie heeft. Het is nodig om geen oppervlakkige onzin te schrijven en daarmee tevreden zijn, maar zelfs al blijft het bij oppervlakkige onzin, zo lang ik er plezier van heb met de woorden bezig te zijn, de zinnen te construeren, structuur aan te brengen, dan heeft het maken van het verhaal al een functie. Ik vermaak mezelf ermee. Zou het eigen oordeel niet ondergeschikt moeten zijn aan mezelf vermaken?

Neem iets anders wat ik graag doe, fietsen. Bij die bezigheid heb ik amper last van oordelen over mijn eigen prestatie. Als ik in deze discipline van mezelf zou eisen dat ik wattages van Tour de France niveau trap, dan kom ik nooit meer de deur uit. Maar in dit geval is het de deur uitkomen, iets van de wereld zien en gezond van lijf en leden blijven, juist de reden om te gaan. Presteren is onnodig. Bijna elke keer dat ik fiets, heb ik er plezier in.

Schrijven is minder waardevrij. Is er iets tegen om schriften (tegenwoordig zijn het trouwens OneDrive mappen) vol te schrijven zonder iemand anders ooit één woord te laten lezen. Waarom stemt die gedachte me droevig, de gedachte aan niet gelezen en niet gehoord woorden? Waarom blijf ik hopen, verlangen of hunkeren naar publiek?

Ik denk aan het lostrekken van schrijven en gelezen worden, het loslaten van de gedachte dat het geschrevene waardeloos is wanneer niemand er kennis van neemt. Ik heb nog even tijd nodig.

Categorieën
Schrijven Sfeerimpressie

Lockdown

Onder een grauw wolkendek verhief het brugdek zich boven het wegdek. De knipperlichten op de neergelaten slagbomen overstraalden het daglicht. De wind blies golfjes in het grijze water van het kanaal, leeg zover het oog strekte, op dat ene binnenvaartschip na waarop het wachten was.

De ene wachtende fietser zette zijn bidon aan zijn mond. In de ene wachtende auto werd de muziek keihard gezet. André Hazes. In een discotheek zat ik van de week.

Direct na deze nacht ben jij van mij zwiepten de slagbomen uitnodigend omhoog. De auto gaf alle gas die er in zat en liet zand en banden knarsen voor hij loeiend wegspoot de brug over. Dat moet opgelucht hebben, dacht de fietser terwijl ook hij zich in gang zette.  

Categorieën
Schrijven

It Dockumer Lokaeltsje

Op de fiets reden ze naar het oude stationsgebouw wat nog steeds een oud stationsgebouw was, de verf verkleurd, de vensterbanken onder de ramen kromgetrokken of scheefgezakt. Maar tussen de  rails was de begroeiing verwijderd, net als tussen de perrontegels. Er was vers grind gestort. Het grote gat in de overkapping was dichtgemaakt en de palen stonden weer te ondersteunen in plaats van dat ze op omvallen stonden. Roestvrij geschuurd en zandkleurig geschilderd, dezelfde kleur als de bakstenen van het oude stationsgebouw, bood het geheel een nostalgische aanblik, zeker toen de avondzon door de wolken brak, de zandtinten opwaardeerde naar echt geel, het rood van het stationsdak en het roestige van de rails liet opvlammen. Opgewonden wees Armin zijn vader op de rails naast het perron, waar het zilverkleurige staal bewees dat er weer een trein reed.

“Ik hoor hem al,” zei papa. Hij stak zijn vinger in de lucht en wees naar waar de trein vandaan kwam. Ook Armin hoorde de trein nu fluiten. Op het perron dromden mensen samen, uit ieder van de drie dorpen in de buurt. De voertaal was Fries. Kinderen maakten zich los uit de kluitjes mensen om het perron op te rennen. Vaders of moeders schoten erachteraan omdat een zwarte locomotief in zicht kwam. Uit de schoorsteen kringelde grijze rook die door de zwakke wind over de rij bomen langs het spoor, waarvan de bladeren aarzelend geel kleurden, in de richting van de grote weg geblazen werd. Daar hielden auto’s in en dreigde een file te ontstaan.

Langzamer dan de grote gele treinen op het station in de stad, bereikte de locomotief het perron en schreed erlangs. Arnim stond stil, zijn hand vastgehouden door die van zijn vader, zijn lijf zo vol opwinding dat hij een beetje op en neer stuiterde. Reikhalzend bekeek hij de naderende wagons, de grote ramen open ondanks de frisse avondwind, rode gezichten met daaromheen wild wapperende haren, mensen die zwaaiden of begroetingen riepen naar het publiek.

De locomotief floot opnieuw. Het was een geluid dat op de mensen om Armin heen, inclusief zijn vader, geen ander effect scheen te hebben dan nog wat meer uitgelatenheid. Bij Armin gebeurde iets anders. Het horen van het geluid vroeg niet alleen het uiterste van zijn oren, maar het geluid overspoelde en overvoerde zijn zintuiglijke waarneming, zijn hersenen waar een reis naar verre oorden abrupt onderbroken werd, en ook zijn lijf, waar het geluid zijn zenuwbanen en spieren binnendrong, resoneerde met zijn hartslag, zijn levensritme.

Armin wilde het geluid verdragen, maar kon er niet tegen. Zijn benen wilden wegrennen, maar hij dwong zichzelf te blijven. Wegrennen kon hij niet maken. Hij was degene die had gezeurd om naar de trein te mogen. Maar zodra hij besloot te blijven staan, werd hij doodsbang voor de volgende stoot op de stoomfluit. Die kwam op het moment dat de wielen begonnen te piepen, de koppelstangen daartussen alleen nog in slow-motion bewogen.

“Wat heb je toch?” sprak papa, terwijl Armin het geluid van de fluit probeerde te blijven verdragen.

“Ik kan niet zo goed tegen de stoomfluit,” bekende hij uiteindelijk.

Zijn vader kneep in zijn hand, en vervolgens ging het in looppas naar de andere kant van het stationsgebouw, van de zon naar de schaduw, van de drukte naar de verlatenheid. In looppas ging het richting fietsen. Armin durfde niet te zeggen dat hij vanaf hier, met meer afstand tot het onverdraaglijke geluid, best zou willen blijven kijken naar het uitstappen van de mensen die uit de stad kwamen, het instappen van mensen uit de drie dorpen. Observeren welke verschillen er waren behalve de taal die ze spraken, want de mensen uit de stad spraken Luwaddes in plaats van Fries.

“Ik dacht dat ik je een plezier zou doen met dit uitje,” sprak papa, bij de fietsen. Hij duwde de sleutel zo onbeheerst in het slot dat het knersend opensprong. Een geluid waar Armin eigenlijk ook niet zo goed tegen kon.

Zwijgend haalde Armin zijn eigen fiets van het slot. Het gevoel dat hij zijn vader teleurstelde, leek op het gevoel dat het geluid van de stoomfluit in zijn binnenste veroorzaakte. Toen ze wegreden, keek hij om naar de trein en de mensen. Hij voelde teleurstelling dat ze daar geen deel meer van uitmaakten, maar een even zo grote opluchting dat hij ontsnapt was aan de fluit. Vervolgens moest hij aanzetten om zijn vader te kunnen bijbenen.

Categorieën
Schrijven

Scène Madeleine

Het veld oogde grauw nu het gerooid was, maar nog steeds geurde het naar ui. Zoals vroeger toen ik een jongetje was, waar nog zoveel uit kon groeien, nog zoveel wel of niet van terecht kon komen, als hij maar op eigen kracht vooruit kon komen, op deze voor een mannetje van 5 jaar oud zo lange weg van Zaamslag naar Reuzenhoek, op een mooie dag dat moet gezegd, maar de wind liet desalniettemin de aarde boven het kaalgeslagen veld verstuiven, een wind die uit Noordwestelijke richting blies, zodat de nog immer prominente geur, op zichzelf staand te penetrant om ervan te genieten, zich mengde, zich  verzachtte, met de zilte geur van de zee, schuilgaand achter de in de verte opdoemende, doodstil wakende dijk.  

De man die naast me fietste, mijn vader, merkte de moeite die het kostte om de trappers rond te krijgen, de grote wielen, nochtans zoveel kleiner dan die van zijn vader, en de kleine steunwieltjes die piepten boven de het zachte fluiten van de wind, die nu juli naderde warmte bracht in plaats van verkleuming. Papa plaatste zijn hand in mijn nek en gaf me steun zodat ik mijn kleine beentjes met hernieuwd elan liet rondpompen.

“Vlas,” sprak mijn vader, toen na het passeren van een slootje een volgend veld zich aandiende, pluimen die minder hoog reiken en minder goudgeel kleuren dan tarwepluimen, toch heen en weer buigend op de wind, pal tegen, nog te lang om me al te verheugen op moeiteloos vooruitkomen, wat pas het geval was voorbij de tot een hoek samenvloeiende bochtige dijkjes, met arbeidershuisjes ernaast of ertegenaan geplakt. Ik was trots dat ik al trappend mijn vader bijbeende, dat mijn kleine schaduw in de berm parmantig zijn grote schaduw op de hielen bleef zitten. Zo groot als papa toen was, was ook het land waarin we fietsten, zonder voortekenen dat de lange weg die we reden ooit een kippeneindje zou worden, de weidsheid van dit land ooit zou benauwen, de grootsheid van papa zou krimpen, want de hand van de man die me steun en richting gaf, behoorde toe aan iemand die zich diep van binnen veel te klein voelde om zo’n grote schaduw te werpen.

Ruimte innemen zoals Zeeuwse akkers doen, durfde papa niet, want het ontbrak hem aan de overtuiging dat zoveel ruimte hem gegund kon zijn. Ik was tevens trots dat ik het gewas op een volgend veld correct benoemde, mijn vader plezierde door te weten dat de eindeloze rijen, op de plaats rust als soldaten op een parade ter ere van iemand die door een partij-ideologie vele malen groter gemaakt was dan zichzelf, aardappelplanten waren, want mijn vader deed erg zijn best me kennis bij te brengen over gewassen. Vader noch zoon bevroedde dat de kennis die doelbewust van vader op zoon overgedragen werd, die van tarwe, vlas, maïs en aardappels, mettertijd geruisloos weer verloren zou gaan, terwijl de kennis die onbewust en onbedoeld overgedragen werd, die van het hart te klein en bang om ruimte in te mogen nemen, veel langer zou beklijven, tot en met de dag van vandaag een geur die op onbewaakte momenten als uit het niets meegevoerd wordt op de wind, vaker niet dan wel verzacht door een zilte geur van zee.      

Categorieën
Schrijven Sfeerimpressie

Forens

Ruben wachtte tot de mensen die haast hadden zichzelf naar binnen gewrongen hadden. Daarna klonk de schrille toon die het dichtklappen van de deur aankondigde en daarna stapte hij in. De plek waar hij het liefste stond, was vrij, buiten bereik van de deur en niet in contact met de mensen die bij de paal in het midden van het gangpad een lus vasthielden. Knokkels wit. Hij leunde met zijn rug tegen de wand en omhelsde zijn tas voor zijn buik. Wel wat maar niet veel overtollige kilo’s. De metro raasde de donkerte van zijn tunnel in. Ruben liet zijn ogen dwalen langs zij die zaten. Drie meisjes die meer bovenop dan naast elkaar zaten, onafgebroken ratelend terwijl ze elkaar kleurige schermpjes toonden. Een jongeman met getrimd baardje, zijn gezichtsuitdrukking verscholen achter zijn hoodie, een grote tas tussen zijn voeten. Twee elegant geklede, opgemaakte vrouwen die jurkjes geshopt hadden en nu geurtjes uitprobeerden op armen die niet zo lang geleden ergens zon hadden gezien. Pal daarnaast twee vrouwen met ook een tas vol kleren, hun ogen vermoeid van de dag en hun bolle, grove wangen vermoeid van het leven.

Ruben hield van toeschouwer zijn. Hij hield zelfs van het gevoel er niet bij te horen. Een gevoel dat hij regelmatig had, ook in andere situaties dan in de metro op weg naar huis. De eerste helft van zijn leven had in het teken gestaan van vechten tegen dat gevoel, van ondernemingen om dat gevoel op te heffen, of het er dan toch tenminste onder te krijgen. Het was hem niet gelukt, maar wel was hij verzoend geraakt met zijn plaats langs de zijlijn. Het kon hem niet langer schelen, de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hij nooit in het brandpunt van de belangstelling zou komen te staan, zoals bijvoorbeeld de jongen in hippiekleren met hipsterbaard, met een sprong ingestapt op Levendael. Met een glimlach waarin iets heiligs blonk, bracht hij zijn gitaar in positie, en met opvallend veel ogen gericht op zijn in kunstlicht lijkbleke gezicht, sloeg hij akkoorden aan en begon te zingen. Toen Ruben het lied herkende, kreeg hij het even warm. Het was een lied wat hij vroeger vaak draaide. Hij prevelde een stukje tekst mee:

The downtown trains are full
Full of all them Brooklyn girls
They try so hard to break out of their little worlds

Helaas, al zong de jongen opvallend luid, hij zong ook vals, met een hinderlijk sterk accent en een atypisch hoge stem, vergeleken met die van de originele vertolker. Bijna niemand keek nog of zong mee toen hij met meer overgave dan techniek Will I see you tonight on a downtown train? eruit gooide. Vervolgens brak hij het nummer met een onnatuurlijk slotakkoord af, nam zijn pet af en ging rond met zijn meest ontwapenende lach. Geen vetpot, dacht Ruben, toen de deuren op Zuiderkade openklapten en de tot boven zijn schouder omhooggestoken gitaar van de jongen in een drukke massa verdween.

Ruben zakte behoedzaam neer tussen een jongeman die druk in de weer was met zijn mobiel en een vrouw van ongeveer zijn leeftijd, die hem een lach schonk alsof ze oprecht blij was hem te zien, maar vervolgens ook verzonk in haar schermpje. Bijna iedereen om hem heen had nergens anders oog voor dan zijn of haar schermpje. Ruben spotte een man, strak in het pak maar wilde piekharen, die voor zich uitstaarde met een zweem van een  glimlach, alsof hij een goede dag op z’n werk had gehad. Of misschien bedacht hij manieren om de liefde van zijn leven ten huwelijk te vragen. Een vrouw met geblondeerde haren las een boek. Ondanks dat de titel van het kaft werd geschreeuwd, was het te ver weg voor Ruben om te kunnen ontcijferen. Hij moest toch echt eens langs de opticien nu.

Elke avond koos hij iemand uit op wie hij zou kunnen vallen, als hij niet al voorzien was natuurlijk, en als hij zo’n avontuur zou aandurven, zou durven dromen dat het wederzijds was. De blondine was deze keer de winnares. Direct nadat hij dit in stilte wereldkundig had gemaakt, keek ze op, schoot van haar plek en liep naar de deur. Ze beantwoordde zijn blik, met ogen die iets hadden wat Ruben lief vond, maar echt enthousiasme ontbrak. Het aantal mensen dat op het perron wegliep, was inmiddels groter dan het aantal mensen dat achterbleef, nog even verder moest. De metro kwam schuddend bovengronds, links van het spoor donkere portiekwoningen, rechts auto’s en stoplichten, met verlichte winkelruiten aan de overkant, de groenteboer, een telefoonwinkel, wasserette, supermarkt. Overal liepen mensen waarvan je kon zien dat ze haast hadden, ondanks dat de metro veel sneller bewoog. Meteen na die gedachte remde de lange, verlichte slurf af bij het voorlaatste station en Rubens eindpunt.

Hij stopte zijn handen diep in zijn zakken toen hij het perron betrad. Zijn adem vormde wolkjes in de van donkerblauw naar zwart verkleurende avondlucht. Terwijl hij zichzelf in gang zette richting uitgang, dacht hij nog eens terug aan de blondine. De herinnering aan het stuk rank been wat hem passeerde toen ze uitstapte, tussen rok en laarzen in maillot verpakt, wond hem op. Hij ergerde zich aan zijn eigen verlangen. Hij vond het misplaatst en buitensporig om zo lang terug te denken aan een willekeurige passant. Alsof de gedachte dat hij die vrouw nogmaals zou ontmoeten en dat ze dan met elkaar mee zouden gaan, ook maar enigszins realistisch was.

Ruben lachte hardop, voor hij als laatste van een paar reizigers de straat en een stoplicht bereikte. Hij dacht aan de vrouw met wie hij samenwoonde. Hij verlangde naar haar kus, haar aanhankelijk warme lijf. Hij verheugde zich op de boerenkool die ze hem eerder vanmiddag via een appje beloofd had.

Tom Waits – Downtown Train