Categorieën
Schrijven

Schrijven of gelezen worden

Hoe kan het dat op sommige dagen woorden komen en op andere dagen niet. Op sommige dagen stromen de woorden en is het eindresultaat een rivier waarvan het wateroppervlak op verrassende manieren zonbeschenen schittert. Op andere dagen stroomt er hooguit modderige prut. Het is ook perceptie, de inschatting of het mooi stroomt of pruttelt als drek. Mogelijk is het voornamelijk perceptie.

Soms lijken de woorden relevant, zingevend en een toevoeging aan de wereld. Maar soms lijkt het schrijfsel overbodig, nietszeggend of irrelevant voor wie dan ook. Navelstaarderij.

Waarom is het zo belangrijk wat de wereld ervan vindt, zelfs voordat de woorden geschreven zijn, voordat vaststaat dat het verhaal af gaat komen, ver voordat sprake kan zijn van publicatie en andermans oordeel. Het eigen oordeel lijkt vaak meer te bederven dan dat het een functie heeft. Het is nodig om geen oppervlakkige onzin te schrijven en daarmee tevreden zijn, maar zelfs al blijft het bij oppervlakkige onzin, zo lang ik er plezier van heb met de woorden bezig te zijn, de zinnen te construeren, structuur aan te brengen, dan heeft het maken van het verhaal al een functie. Ik vermaak mezelf ermee. Zou het eigen oordeel niet ondergeschikt moeten zijn aan mezelf vermaken?

Neem iets anders wat ik graag doe, fietsen. Bij die bezigheid heb ik amper last van oordelen over mijn eigen prestatie. Als ik in deze discipline van mezelf zou eisen dat ik wattages van Tour de France niveau trap, dan kom ik nooit meer de deur uit. Maar in dit geval is het de deur uitkomen, iets van de wereld zien en gezond van lijf en leden blijven, juist de reden om te gaan. Presteren is onnodig. Bijna elke keer dat ik fiets, heb ik er plezier in.

Schrijven is minder waardevrij. Is er iets tegen om schriften (tegenwoordig zijn het trouwens OneDrive mappen) vol te schrijven zonder iemand anders ooit één woord te laten lezen. Waarom stemt die gedachte me droevig, de gedachte aan niet gelezen en niet gehoord woorden? Waarom blijf ik hopen, verlangen of hunkeren naar publiek?

Ik denk aan het lostrekken van schrijven en gelezen worden, het loslaten van de gedachte dat het geschrevene waardeloos is wanneer niemand er kennis van neemt. Ik heb nog even tijd nodig.

Categorieën
Schrijven Sfeerimpressie

Lockdown

Onder een grauw wolkendek verhief het brugdek zich boven het wegdek. De knipperlichten op de neergelaten slagbomen overstraalden het daglicht. De wind blies golfjes in het grijze water van het kanaal, leeg zover het oog strekte, op dat ene binnenvaartschip na waarop het wachten was.

De ene wachtende fietser zette zijn bidon aan zijn mond. In de ene wachtende auto werd de muziek keihard gezet. André Hazes. In een discotheek zat ik van de week.

Direct na deze nacht ben jij van mij zwiepten de slagbomen uitnodigend omhoog. De auto gaf alle gas die er in zat en liet zand en banden knarsen voor hij loeiend wegspoot de brug over. Dat moet opgelucht hebben, dacht de fietser terwijl ook hij zich in gang zette.  

Categorieën
Dierbare liedjes

Dierbare liedjes

Athlete – Wires

In de top 2000 van liedjes met aanstekelijke refreinen, gooit deze hoge ogen. Al is het onderwerp van het lied te naar, het tempo te laag, een slow-motion van brancards, ijlend door TL verlichte gangen.

Running ‘round corridors

Through automatic doors

Nee, het is niet vanwege corona dat het lied mij dierbaar is, en het moment waarop ik het lied hier ter sprake ben, heeft niks te maken met dat het lied waarschijnlijk speelt rond kersttijd (I’ve seen christmas lights, reflect in your eyes).

Het warme plekje in mijn hart komt ook niet vanwege iemand die erg ziek geweest is of met mij als toeschouwer aan het leven ontglipte. Al doet het lied mij tegenwoordig ook aan mijn moeder denken. Ze belandde in het ziekenhuis na een hartaanval, in een conditie waarin de doktoren herstel onmogelijk achtten, ze wisten ook vrij zeker dat mijn moeder haar ogen niet meer zou openen. Dat eerste klopte, dat laatste niet, want toen we met haar ziekenhuisbed aan

Running ‘round corridors

Through automatic doors

deden, gingen haar mooie blauwe ogen opeens open.

“Wat doen jullie met me,” zeiden die ogen, en “Wat is er met me gebeurd?”

Natuurlijk vertelden we je wat er gebeurd was en wat we met je deden, in meer omfloerste woorden  dan dat we je naar een kamertje brachten waar we over je zouden waken tot je zou overlijden, op z’n snelst binnen enkele uren, op z’n traagst binnen enkele dagen. Of je ons nog begreep, weten we niet. Maar ik denk van wel, al kon je niet meer praten en was jouw lijf aan één kant verlamd. Want die ogen gingen nog een paar keer open, en dan toonde je ons jouw emoties.

De reden dat ik het lied überhaupt ken, is een vrouw online. Ik ken haar online naam van vroeger en ook wel haar echte naam, maar het dient nergens toe deze te noemen. Zij legde ons eerste contact door me een berichtje te sturen via LastFM, een site waarop je de muziek die je draait kunt bijhouden en tonen aan de wereld. De site bestaat nog, maar levendig is het er niet meer. Destijds was dit een ‘community’, waar je muziekvrienden kon maken en af en toe iets in elkaars shoutbox riep. Dat deden we geregeld, de vrouw online en ik, iets in elkaars shoutbox roepen. We hadden ook allebei een blog en we reageerden op elkaars stukjes, iets wat destijds ook veel vaker gebeurde dan nu. Zij schreef zelfbewuste licht alternatievige Vrouw-stukken. Ik wist niet hoe ze eruit zag, maar uit haar schrijfsels en blog lay-out destilleerde ik een vrouw in zwarte kleren, als ze uitging in gothic stijl.

Van het een kwam het ander, er ontspon zich een online romance. Via steeds meer mails vertelden we elkaar onze dagelijkse bezigheden en geheimen, afgewisseld met geile praat op enig literair niveau. Een paar avonden lang neukten we elkaar met woorden. We stuwden elkaars verlangen op, in mijn geval ook een steeds heviger verlangen deze vrouw in het echt te ontmoeten.

Dat is er nooit van gekomen. Je hield de boot af. Hoe harder ik duwde, hoe hardnekkiger jij afhield. Voor jou stond ons amoureuze toneel in het goede theater, een tournee door de echte in plaats van virtuele wereld is nooit jouw bedoeling geweest.

Ik heb meer dates gehad die niet tot relaties leidde, maar de date met deze vrouw online is de enige waaraan ik met bloedend hart terugdenk. Er is iets onverdraaglijks aan het gewoon niet geprobeerd hebben, als een voetballer in de dug-out die niet zeker weet of hij de bal erin zal schieten, maar hij voelt dat de kans aanwezig is, maar die kans verkijkt doordat de trainer anderen dan hij oproept zich warm te lopen, de vierde official langs de lijn met zijn bord andere rugnummers dan de zijne toont.

Gelukkig hebben we het liedje nog, het meest gedraaide liedje in de lijst van de vrouw online destijds, ik weet het jaar niet meer precies, maar het zal 2007 of 2008 geweest zijn. Ik ken ook de tragische geschiedenis waaraan de vrouw online terugdacht als ze dit liedje draaide. Dat is alles, verder heeft de vrouw online haar geheimen met zich meegenomen en vertrok met de Noorderzon. Online is van haar geen spoor meer te vinden.

Misschien heeft de vrouw online in zekere zin überhaupt nooit bestaan, al zijn de mails er echt geweest en was de inhoud over het algemeen waarschijnlijk wel oprecht.

Athlete – Wires

Categorieën
Schrijven

It Dockumer Lokaeltsje

Op de fiets reden ze naar het oude stationsgebouw wat nog steeds een oud stationsgebouw was, de verf verkleurd, de vensterbanken onder de ramen kromgetrokken of scheefgezakt. Maar tussen de  rails was de begroeiing verwijderd, net als tussen de perrontegels. Er was vers grind gestort. Het grote gat in de overkapping was dichtgemaakt en de palen stonden weer te ondersteunen in plaats van dat ze op omvallen stonden. Roestvrij geschuurd en zandkleurig geschilderd, dezelfde kleur als de bakstenen van het oude stationsgebouw, bood het geheel een nostalgische aanblik, zeker toen de avondzon door de wolken brak, de zandtinten opwaardeerde naar echt geel, het rood van het stationsdak en het roestige van de rails liet opvlammen. Opgewonden wees Armin zijn vader op de rails naast het perron, waar het zilverkleurige staal bewees dat er weer een trein reed.

“Ik hoor hem al,” zei papa. Hij stak zijn vinger in de lucht en wees naar waar de trein vandaan kwam. Ook Armin hoorde de trein nu fluiten. Op het perron dromden mensen samen, uit ieder van de drie dorpen in de buurt. De voertaal was Fries. Kinderen maakten zich los uit de kluitjes mensen om het perron op te rennen. Vaders of moeders schoten erachteraan omdat een zwarte locomotief in zicht kwam. Uit de schoorsteen kringelde grijze rook die door de zwakke wind over de rij bomen langs het spoor, waarvan de bladeren aarzelend geel kleurden, in de richting van de grote weg geblazen werd. Daar hielden auto’s in en dreigde een file te ontstaan.

Langzamer dan de grote gele treinen op het station in de stad, bereikte de locomotief het perron en schreed erlangs. Arnim stond stil, zijn hand vastgehouden door die van zijn vader, zijn lijf zo vol opwinding dat hij een beetje op en neer stuiterde. Reikhalzend bekeek hij de naderende wagons, de grote ramen open ondanks de frisse avondwind, rode gezichten met daaromheen wild wapperende haren, mensen die zwaaiden of begroetingen riepen naar het publiek.

De locomotief floot opnieuw. Het was een geluid dat op de mensen om Armin heen, inclusief zijn vader, geen ander effect scheen te hebben dan nog wat meer uitgelatenheid. Bij Armin gebeurde iets anders. Het horen van het geluid vroeg niet alleen het uiterste van zijn oren, maar het geluid overspoelde en overvoerde zijn zintuiglijke waarneming, zijn hersenen waar een reis naar verre oorden abrupt onderbroken werd, en ook zijn lijf, waar het geluid zijn zenuwbanen en spieren binnendrong, resoneerde met zijn hartslag, zijn levensritme.

Armin wilde het geluid verdragen, maar kon er niet tegen. Zijn benen wilden wegrennen, maar hij dwong zichzelf te blijven. Wegrennen kon hij niet maken. Hij was degene die had gezeurd om naar de trein te mogen. Maar zodra hij besloot te blijven staan, werd hij doodsbang voor de volgende stoot op de stoomfluit. Die kwam op het moment dat de wielen begonnen te piepen, de koppelstangen daartussen alleen nog in slow-motion bewogen.

“Wat heb je toch?” sprak papa, terwijl Armin het geluid van de fluit probeerde te blijven verdragen.

“Ik kan niet zo goed tegen de stoomfluit,” bekende hij uiteindelijk.

Zijn vader kneep in zijn hand, en vervolgens ging het in looppas naar de andere kant van het stationsgebouw, van de zon naar de schaduw, van de drukte naar de verlatenheid. In looppas ging het richting fietsen. Armin durfde niet te zeggen dat hij vanaf hier, met meer afstand tot het onverdraaglijke geluid, best zou willen blijven kijken naar het uitstappen van de mensen die uit de stad kwamen, het instappen van mensen uit de drie dorpen. Observeren welke verschillen er waren behalve de taal die ze spraken, want de mensen uit de stad spraken Luwaddes in plaats van Fries.

“Ik dacht dat ik je een plezier zou doen met dit uitje,” sprak papa, bij de fietsen. Hij duwde de sleutel zo onbeheerst in het slot dat het knersend opensprong. Een geluid waar Armin eigenlijk ook niet zo goed tegen kon.

Zwijgend haalde Armin zijn eigen fiets van het slot. Het gevoel dat hij zijn vader teleurstelde, leek op het gevoel dat het geluid van de stoomfluit in zijn binnenste veroorzaakte. Toen ze wegreden, keek hij om naar de trein en de mensen. Hij voelde teleurstelling dat ze daar geen deel meer van uitmaakten, maar een even zo grote opluchting dat hij ontsnapt was aan de fluit. Vervolgens moest hij aanzetten om zijn vader te kunnen bijbenen.

Categorieën
Muziek

Dierbare Liedjes

In deze rubriek bespreek ik liedjes die me na aan het hart liggen. Meestal zijn het geen bekende liedjes. Het zijn wel liedjes die het verdienen gekend te worden. Voor liefhebbers en fijnproevers.

“Going to the Feelies this evening, Henry?”

Een zin uit de roman Brave New World van Aldous Huxley, een naam voor een bioscoop waarin je de film ook voelt. Meestal worden namen van bands gekozen op dronken of lamlendige momenten, ver voor men ooit bekend wordt, en daarna zit je eraan vast, of de keuze nou betreurd wordt of niet. In het geval van de Feelies is dat niet erg om aan de naam vast te zitten, want de naam omschrijft de muziek die ze maakt perfect.

Ik heb de Feelies nooit zien optreden, maar ik kan ze uittekenen. Mannen die aan het begin van het nummer hooguit de titel noemen, en aan het eind van het nummer zeggen ze hooguit “Thank You”. Mannen met hun hoofden naar beneden, hun kuif wapperend op de slungelige bewegingen waarmee ze hun gitaar bedienen. Het hof maken. De liefde ermee bedrijven.

Ze worden vaak als epigoon van de Velvet Underground gezien. De invloeden van die band zijn ontegenzeglijk, al was het maar omdat de Feelies What Goes On coverden (al coverden ze ook de Beatles en The Stones, op één CD nog wel). The Feelies zijn eerder de opvolger dan een imitatie van Velvet Underground. Waar deze band stopte, gingen zij door. Wel zijn The Feelies een introverte variant op de Velvet Underground. Ik denk dat extraverte mensen de Velvet Underground interessant kunnen vinden, maar de Feelies vinden ze niks aan.

De band maakt hoorbaar hoe zij, en ook ik, de wereld voelen, de stad, geluiden, de druk van buiten, de innerlijke druk. Verlangens. Het niet kunnen toegeven aan of inwilligen van verlangens. The Feelies laten met ritmes en gitaarlagen horen wat introverte mensen slecht of niet onder woorden brengen. Luister en weet hoe ik voel.

The Feelies – Slipping (Into Something)

Categorieën
Schrijven

Scène Madeleine

Het veld oogde grauw nu het gerooid was, maar nog steeds geurde het naar ui. Zoals vroeger toen ik een jongetje was, waar nog zoveel uit kon groeien, nog zoveel wel of niet van terecht kon komen, als hij maar op eigen kracht vooruit kon komen, op deze voor een mannetje van 5 jaar oud zo lange weg van Zaamslag naar Reuzenhoek, op een mooie dag dat moet gezegd, maar de wind liet desalniettemin de aarde boven het kaalgeslagen veld verstuiven, een wind die uit Noordwestelijke richting blies, zodat de nog immer prominente geur, op zichzelf staand te penetrant om ervan te genieten, zich mengde, zich  verzachtte, met de zilte geur van de zee, schuilgaand achter de in de verte opdoemende, doodstil wakende dijk.  

De man die naast me fietste, mijn vader, merkte de moeite die het kostte om de trappers rond te krijgen, de grote wielen, nochtans zoveel kleiner dan die van zijn vader, en de kleine steunwieltjes die piepten boven de het zachte fluiten van de wind, die nu juli naderde warmte bracht in plaats van verkleuming. Papa plaatste zijn hand in mijn nek en gaf me steun zodat ik mijn kleine beentjes met hernieuwd elan liet rondpompen.

“Vlas,” sprak mijn vader, toen na het passeren van een slootje een volgend veld zich aandiende, pluimen die minder hoog reiken en minder goudgeel kleuren dan tarwepluimen, toch heen en weer buigend op de wind, pal tegen, nog te lang om me al te verheugen op moeiteloos vooruitkomen, wat pas het geval was voorbij de tot een hoek samenvloeiende bochtige dijkjes, met arbeidershuisjes ernaast of ertegenaan geplakt. Ik was trots dat ik al trappend mijn vader bijbeende, dat mijn kleine schaduw in de berm parmantig zijn grote schaduw op de hielen bleef zitten. Zo groot als papa toen was, was ook het land waarin we fietsten, zonder voortekenen dat de lange weg die we reden ooit een kippeneindje zou worden, de weidsheid van dit land ooit zou benauwen, de grootsheid van papa zou krimpen, want de hand van de man die me steun en richting gaf, behoorde toe aan iemand die zich diep van binnen veel te klein voelde om zo’n grote schaduw te werpen.

Ruimte innemen zoals Zeeuwse akkers doen, durfde papa niet, want het ontbrak hem aan de overtuiging dat zoveel ruimte hem gegund kon zijn. Ik was tevens trots dat ik het gewas op een volgend veld correct benoemde, mijn vader plezierde door te weten dat de eindeloze rijen, op de plaats rust als soldaten op een parade ter ere van iemand die door een partij-ideologie vele malen groter gemaakt was dan zichzelf, aardappelplanten waren, want mijn vader deed erg zijn best me kennis bij te brengen over gewassen. Vader noch zoon bevroedde dat de kennis die doelbewust van vader op zoon overgedragen werd, die van tarwe, vlas, maïs en aardappels, mettertijd geruisloos weer verloren zou gaan, terwijl de kennis die onbewust en onbedoeld overgedragen werd, die van het hart te klein en bang om ruimte in te mogen nemen, veel langer zou beklijven, tot en met de dag van vandaag een geur die op onbewaakte momenten als uit het niets meegevoerd wordt op de wind, vaker niet dan wel verzacht door een zilte geur van zee.      

Categorieën
Dierbare liedjes

Te is nooit goed

“Ik ben te gezond om gevaccineerd te worden”.

Van alle argumenten tegen vaccineren is deze misschien nog slechter te verdragen dan aangesloten worden op het G5 netwerk, of een chip ingespoten krijgen met de handtekening van Bill Gates erop.

Als je gezond genoeg bent om een coronabesmetting te doorstaan, ben je toch ook gezond genoeg om gevaccineerd te worden?

Te gezond is geen argument tegen vaccinatie, maar voor. De nadelen van vaccinatie zullen jou niet treffen, je krijgt niet de bijwerkingen, en het staat vast dat een gezond afweersysteem in een gezond lichaam voldoende antistoffen aanmaakt.

En er is ook nog het medemenselijk argument, namelijk dat jezelf laten vaccineren de kans verkleint om anderen te besmetten, minderbedeelden die het helaas zonder jouw gezondheid moeten stellen. Jij als exceptioneel gezond persoon zou gevoelig moeten zijn voor dit argument, want met die spreekwoordelijke gezondheid van jou zou je zomaar het soort persoon kunnen zijn die anderen besmet zonder zelf ziek te zijn.

Verplaats je in de positie van het virus. Als ik virus was en kon kiezen, koos ik voor een kerngezonde drager, want dan kunnen er een hele hoop virusdeeltjes aangemaakt worden voordat jij je ooit ziek gaat voelen. Het virus kan ongemerkt zijn gang gaan in zijn ijzersterke gastheer. Met al die aangemaakte virusdeeltjes is er een kans van beslist groter dan nul om allerlei zwakke broeders die te dichtbij jou komen, ziek te maken. De anderhalvemetermaatregel is opgeheven, te dichtbij komen mag weer.

Hoop

Het laten vaccineren brengt een boodschap van hoop, hoop op niet nog eens een lockdown, met amper sociale contacten en hobby’s die niet of alleen met allerlei beperkingen beoefend kunnen worden. Misschien is de hoop ijdel en is de vaccinatiecampagne zo ineffectief dat de winter van 2022 er hetzelfde uitziet als die van 2021. Maar als je jezelf niet laat vaccineren, heb je het nooit geprobeerd. Eigenlijk breng je de boodschap dat de volgende winter hetzelfde mag zijn als de vorige. Je brengt de boodschap dat corona wat jou betreft altijd onder ons blijft.

Nog even terug naar de zelfzucht. Ook al laat het je koud dat komende winter opnieuw mensen ernstig ziek worden of sterven, met het driftig blijven rondgaan van het virus, zal het virus nog vaak en veel muteren. Het is best mogelijk dat er ooit een mutatie ontstaat waartegen zelfs jouw Champions League-waardige gezondheid niet bestand blijkt. En als dat gebeurt, zou het zomaar kunnen dat het vaccin dat je nam, toch bescherming biedt. Dan ben je met terugwerkende kracht blij met het nemen van het zekere voor het onzekere, toen alleen die oh zo onschuldige Delta variant rondging, waar heel wat kerngezonde mensen flink ziek van waren en zijn, nog steeds wachtend op het moment dat ze net zo proeven en ruiken dan voor de besmetting. Voorheen in staat tot een halve marathon, nu uitgeteld na een hele trap.

Geloof

Ook al geloof je in virus noch vaccinatie, straks mag ook jij een coronatoegangsbewijs laten zien, op meer plekken dan je lief is. Hoe meer het buiten op winter lijkt, hoe vaker. Gevaccineerd zijn voelt vrijer.  Deze maatregel is tijdelijk, maar de kans op afschaffing is erg klein zo lang de vaccinatiegraad volgens wetenschappers te laag is. Dus is het dan zelfs in jouw belang de score wat op te krikken.

Tot zover de argumenten. Behalve dat deze te gezonde mensen mijn gevoel van logica tarten, tarten ze ook mijn gevoel. Vermoedelijk omdat ik op hen lijk. Ikzelf heb er ook een handje van te denken en soms zelfs te roepen dat ik best heel erg gezond ben. Nooit een ernstige ziekte gehad, maar weinig uit de running, het aantal verzuimdagen op mijn werk in mijn hele carrière op een paar handen te tellen. Voordat vaccineren een optie was, was ik minder bang om corona te krijgen dan anderen corona te bezorgen. Maar nu vaccinatie wel een optie is, gun ik het mezelf en mijn medemens, niet te blijven hangen in dit egocentrische, ietwat arrogante gevoel. Het is onnodig om Russische roulette te spelen met een virus waaraan te veel onbekend is. Het is niet alleen onnodig, het is gewoon stom.

Je moet aanvoelen dat het niet alleen om jouzelf gaat, maar ook om jouw omgeving. Die omgeving gelooft in de gevaren van en overlast door corona en gelooft, of hoopt, in meerderheid, dat vaccinatie hiervoor een uitweg is.

Liefde

Als geloof en hoop voor jou nietszeggend zijn, dan hebben we altijd nog liefde over. Kan die jou over de streep trekken?

Categorieën
Sfeerimpressie

Vroeger

Bart zocht oogcontact met de vrouw die van het belangrijkste in zijn leven, verwaterd was naar een haast onwerkelijke herinnering. Hij wist nog hoe ze op haar pen kauwde wanneer ze in kleermakerszit bovenop haar bed studeerde. Waarover ze praatten of hoe ze vreeën, wist hij niet meer. Niet meer in detail althans.

Zij praatte steeds meer en hij steeds minder. Daar ergens ging het mis. Zij maakte haar studie af en kreeg werk op een notariskantoor. Hij stopte met zijn studie en werd ontslagen bij het telecombedrijf waarvoor hij klanten moest zien te werven. Hij rolde het gezamenlijke bed in, net voor zij eruit moest.

“Je ziet er goed uit, Jessica,” loog hij, want ze was dik geworden, gehuld in een illusieloze outfit, wallen onder haar ogen, een wantrouwige oogopslag. Ze besteedde erg veel tijd aan het wegstoppen van haar autosleutels in haar handtas.

“Hoe gaat ie?”
“Goed, met jou?”

Nu al droogde de woordenstroom op. Toen was er ruzie over geld, herinnerde hij zich. Als zij geld wilde laten rollen, voelde hij zich schuldig omdat hij amper kon bijdragen, en zij wilde steeds maar een goed gesprek over het geld dat hij in de kroeg liet rollen.

“Toms vrouw zag er gebroken uit, vond je ook niet?”

Jessica knikte. Ze bekeek het dienblad vol koppen koffie wat vagelijk hun kant uit kwam.

“Wil jij ook?” vroeg ze, en ze haastte zich richting ober.

“Ik moest op de rouwkaart kijken om me haar naam te herinneren,” sprak Jessica, nadat ze van melk en suiker voorzien was, nadat ze Bart had meegetroond naar een tafeltje waar ze konden staan. Bart vertelde kort over de paar keer dat hij Tom dit jaar gezien had, zijn vrouw rondscharrelend in en om het huis.

“Ze waren best gek op elkaar,” zei Bart. “Ik was daar wel eens jaloers op…”

Jessica keek hem aan. De voor de hand liggende vraag stelde ze niet.

“Ik moet eigenlijk even roken,” zei ze. “Het was best een lange zit.”

Bart sloeg haar gade, haar hele lijf in beweging terwijl ze in haar handtas zocht, eerst naar een pakje sigaretten, vervolgens naar een aansteker. De manier waarop ze rommelde, wekte niet de indruk dat binnenin de zaken op orde waren.

“Heeft Tom nog iets tegen je gezegd,” vroeg ze onverhoeds. “Voordat hij…. voor het ongeluk?”

“Niets bijzonders, dacht ik,” antwoordde hij. “Waarom zou hij iets specifieks tegen me gezegd moeten hebben?”

“Misschien omdat hij het aan zag komen,” vond Jessica. “Dat hoor je wel eens, dat mensen hun einde voorvoelen.”

“Niet Tom,” sprak Bart, overdreven beslist. “Tom zat vol plannen. Hij wilde de marathon van New York lopen. Hij wilde op safari. Nog duizend dingen wilde hij. Wel gek dat zijn vrouw juist zo weinig ondernemingslustig was.”

“Mensen groeien soms uit elkaar,” sprak Jessica. Ze hield haar sigaret omklemd. Ze leek vooral daaraan te denken.

Zeg dat wel, dacht Bart, in de tuin, verzeild geraakt in zijn meest vertrouwde gezelschap, de mannen met wie hij nu wielrende in plaats van naar de kroeg te gaan. Tom zou er niet langer bij zijn. Nooit meer de tempobeul op kop tegen de wind in. Niet meer zijn aanstekelijke lach. Toegegeven, ook nooit meer naar te jonge meisjes kijken.

“Wat een stresskip is het geworden,” zei hij, kijkend over Cornalds schouder naar hoe ze rookte. Cornald volgde zijn blik maar half. Lex liet geen onderbreking toe in zijn sterke verhaal over bitcoins. Bart zette zijn gezicht in lachstand en luisterde mee.

Categorieën
Fietsen

Verrukking

Ik mag een nieuwe fiets uitzoeken, en ik zeg dit met ingehouden verrukking.

Misschien klinkt dit als een kind aan het woord, als je alleen op die leeftijd de gedachte ‘nieuwe fiets’ met ‘verrukking’ associeert. Eenmaal volwassen geworden is de fiets een noodzakelijk kwaad. De daad fietsen wordt geassocieerd met tegenwind en zadelpijn. Iets wat moet van de vrouw bij mooi weer. Surrogaat in coronatijd als echt leuke dingen niet meer mogen. De verrukking wordt gevoeld bij een nieuwe auto, vishengel of boormachine.

Zo is het bij mij niet. Fietsen is mijn lust en mijn leven. Ik doe het bijna elk weekend, soms voor een paar uurtjes, soms de hele dag. Ik ga wel eens een paar dagen weg en af en toe een paar weken. In mijn dromen ga ik nog een keer naar Istanbul of Lissabon, de Noordkaap of Sint-Petersburg. In mijn stoutste dromen naar al die plekken.

Mijn oude fiets, de fiets waarop ik de meeste van mijn tochten maak, is nog niet versleten. Het betreft een Koga Miyata Traveller uit 2007.

Deze trouwe tweewieler heeft 56000 kilometer op de teller staan, is met mij op het zadel in tien landen geweest, waaronder heuvelland en berggebied. Ze heeft zelden meer nodig dan poetsbeurten,  nieuwe banden en tandwielen, al is er door de jaren heen natuurlijk wel meer vervangen dan dat. Aan haar uiterlijk is het gebruik af te zien, allerlei kleine beschadigingen aan de lak bijvoorbeeld, en dat het beestje ouder is geworden, merk je aan iets meer bijgeluid, kraakjes her en der, remmen die iets vaker en harder dan vroeger piepen of kreunen. Maar het is een goed gemaakte en goed onderhouden fiets, en dus rijdt ze nog altijd soepel en comfortabel, beweeg ik me sneller voort dan menigeen, en is het voor wat betreft de fiets geen enkel beletsel om vandaag 20 kilo fietstassen aan te koppelen en de wijde wereld in te trekken.

Daarom voelt het enigszins als ontrouw om te durven dromen van een nieuwe fiets. Zo veel soepeler en comfortabeler kan het heus niet worden. Het is nog maar de vraag of de teamleider Finance & Control die op de nieuwe stagiaire geilt, eindelijk dat grootse en meeslepend leven krijgt wanneer het hem zou lukken haar te schaken. Waarschijnlijk wordt het behoud van netflixen, misschien in een ander huis op een andere bank, en wie weet graait zijn hand in een ander merk chips.

Mijn huidige fiets zou misschien best nog 14 jaar mee kunnen. De gedachte haar in te ruilen (wat minder repercussies heeft dan in het geval van de teamleider Finance & Control), de volgende 14 jaar fietsplezier over te dragen aan een ander, voelt een vleugje ondankbaar. Toch ben ik niet van plan aan dat gevoel toe te geven. Het is tijd voor wat nieuws.

Ten eerste om te profiteren van nieuwe technieken. De ketting met tandwielen mag gedag gezegd ten faveure van een aandrijfriem. De velgrem wordt ingeruild voor een schijfrem. Een aandrijfriem betekent minder onderhoud, lekker licht trappen, en niet langer zwarte vlekken op je kuiten tijdens zomerse dagen. Een schijfrem biedt meer veiligheid, want de remkracht van de schijfrem, en ook de precisie waarmee je de kracht kunt doseren, wint het van elke velgrem, zeker wanneer het regent.

Mijn verdere eisen zijn dat ik geruisloos kilometers wil vreten, met vier tassen bagage moet kunnen rijden, en ook de volgende 14 jaar zelden of nooit met panne langs een weg kom te staan. Als je bijvoorbeeld, iets wat ik ooit deed, op een zondagmiddag vanuit het dal in de stromende regen aan de Gotthardpas beginnen, met naast me een onafgebroken stroom vakantieverkeer, dan wil je zeker weten dat het materiaal betrouwbaar is, dat je de warme douche in het hotel gaat halen, hoe steil de weg ook is en hoe hard het ook regent.

Elektrisch wil ik niet. Ik ben gezond en sterk genoeg om gewone elektrische fietsen voor te blijven, dus fiets ik ook de komende 14 jaar op eigen kracht. Beter ook om het buikvet binnen de perken te houden. Moeilijk genoeg, want eigenlijk vind ik dat ik, omdat ik zo veel fiets, alles mag eten wat mijn hartje begeert.   

Welke fiets gaat het worden? Net als voor de aanstaande verkiezingen, zweef ik nog. Het gaat tussen een Koga Signature of een model van Tout Terrain. Koga is het merk wat ik had en tevreden mee ben. Tout Terrain wordt aanbevolen door veel fietsverkopers, mensen die weten van techniek. Met zorg gemaakte, eigenzinnige fietsen, waar de aandacht en energie vooral uitgaat naar rij-eigenschappen en wat minder naar blingbling. Als het een Tout Terrain wordt, is het volgende dilemma het model. SilkRoad oogt het stoerst en lijkt het meest geschikt voor bepakte en bezakte fietsvakantie (maar is misschien niet de beste keus voor een lang mens?). Blueridge lijkt het snelheidsmonster (maar misschien minder geschikt voor vakanties?). Tanami is wat goedkoper dan de andere twee. Goedkoop is in dit fietssegment relatief, want ook de Tanami komt met een beetje eigen configuratie boven de 3000 euro.

Om mijn keus te bepalen, zoek ik nu naar antwoord op vragen als of je beter af met wielen die 42 millimeter breed zijn (net als nu mijn Koga) of 50 millimeter (wat veel fietsen tegenwoordig hebben). Het antwoord lijkt erop neer te komen dat als je heel veel offroad fietst, je voor 50 millimeter moet gaan omdat het meer grip en stabiliteit geeft, maar als je vooral veel op asfalt rijdt, is het een kwestie van persoonlijke voorkeur.

Tout Terrain SilkRoad
Tout Terrain Blueridge
Tout Terrain Tanami

Leuk om het internet af te struinen naar technische informatie, plaatjes, recensies en ervaringen van andere fietsers. Ondertussen zoef ik in gedachten al op een nieuwe verovering. Zonder tegenwind en zonder zadelpijn, maar dat moet haast wel een geromantiseerd beeld zijn.

Binnenkort mag ik van mezelf een proefrit. Daarna wordt het tijd om te kiezen. Maar eigenlijk is het toch ook leuk de keuze nog even uit te stellen. Alle opties nog even helemaal openlaten.

Categorieën
Schrijven Sfeerimpressie

Forens

Ruben wachtte tot de mensen die haast hadden zichzelf naar binnen gewrongen hadden. Daarna klonk de schrille toon die het dichtklappen van de deur aankondigde en daarna stapte hij in. De plek waar hij het liefste stond, was vrij, buiten bereik van de deur en niet in contact met de mensen die bij de paal in het midden van het gangpad een lus vasthielden. Knokkels wit. Hij leunde met zijn rug tegen de wand en omhelsde zijn tas voor zijn buik. Wel wat maar niet veel overtollige kilo’s. De metro raasde de donkerte van zijn tunnel in. Ruben liet zijn ogen dwalen langs zij die zaten. Drie meisjes die meer bovenop dan naast elkaar zaten, onafgebroken ratelend terwijl ze elkaar kleurige schermpjes toonden. Een jongeman met getrimd baardje, zijn gezichtsuitdrukking verscholen achter zijn hoodie, een grote tas tussen zijn voeten. Twee elegant geklede, opgemaakte vrouwen die jurkjes geshopt hadden en nu geurtjes uitprobeerden op armen die niet zo lang geleden ergens zon hadden gezien. Pal daarnaast twee vrouwen met ook een tas vol kleren, hun ogen vermoeid van de dag en hun bolle, grove wangen vermoeid van het leven.

Ruben hield van toeschouwer zijn. Hij hield zelfs van het gevoel er niet bij te horen. Een gevoel dat hij regelmatig had, ook in andere situaties dan in de metro op weg naar huis. De eerste helft van zijn leven had in het teken gestaan van vechten tegen dat gevoel, van ondernemingen om dat gevoel op te heffen, of het er dan toch tenminste onder te krijgen. Het was hem niet gelukt, maar wel was hij verzoend geraakt met zijn plaats langs de zijlijn. Het kon hem niet langer schelen, de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hij nooit in het brandpunt van de belangstelling zou komen te staan, zoals bijvoorbeeld de jongen in hippiekleren met hipsterbaard, met een sprong ingestapt op Levendael. Met een glimlach waarin iets heiligs blonk, bracht hij zijn gitaar in positie, en met opvallend veel ogen gericht op zijn in kunstlicht lijkbleke gezicht, sloeg hij akkoorden aan en begon te zingen. Toen Ruben het lied herkende, kreeg hij het even warm. Het was een lied wat hij vroeger vaak draaide. Hij prevelde een stukje tekst mee:

The downtown trains are full
Full of all them Brooklyn girls
They try so hard to break out of their little worlds

Helaas, al zong de jongen opvallend luid, hij zong ook vals, met een hinderlijk sterk accent en een atypisch hoge stem, vergeleken met die van de originele vertolker. Bijna niemand keek nog of zong mee toen hij met meer overgave dan techniek Will I see you tonight on a downtown train? eruit gooide. Vervolgens brak hij het nummer met een onnatuurlijk slotakkoord af, nam zijn pet af en ging rond met zijn meest ontwapenende lach. Geen vetpot, dacht Ruben, toen de deuren op Zuiderkade openklapten en de tot boven zijn schouder omhooggestoken gitaar van de jongen in een drukke massa verdween.

Ruben zakte behoedzaam neer tussen een jongeman die druk in de weer was met zijn mobiel en een vrouw van ongeveer zijn leeftijd, die hem een lach schonk alsof ze oprecht blij was hem te zien, maar vervolgens ook verzonk in haar schermpje. Bijna iedereen om hem heen had nergens anders oog voor dan zijn of haar schermpje. Ruben spotte een man, strak in het pak maar wilde piekharen, die voor zich uitstaarde met een zweem van een  glimlach, alsof hij een goede dag op z’n werk had gehad. Of misschien bedacht hij manieren om de liefde van zijn leven ten huwelijk te vragen. Een vrouw met geblondeerde haren las een boek. Ondanks dat de titel van het kaft werd geschreeuwd, was het te ver weg voor Ruben om te kunnen ontcijferen. Hij moest toch echt eens langs de opticien nu.

Elke avond koos hij iemand uit op wie hij zou kunnen vallen, als hij niet al voorzien was natuurlijk, en als hij zo’n avontuur zou aandurven, zou durven dromen dat het wederzijds was. De blondine was deze keer de winnares. Direct nadat hij dit in stilte wereldkundig had gemaakt, keek ze op, schoot van haar plek en liep naar de deur. Ze beantwoordde zijn blik, met ogen die iets hadden wat Ruben lief vond, maar echt enthousiasme ontbrak. Het aantal mensen dat op het perron wegliep, was inmiddels groter dan het aantal mensen dat achterbleef, nog even verder moest. De metro kwam schuddend bovengronds, links van het spoor donkere portiekwoningen, rechts auto’s en stoplichten, met verlichte winkelruiten aan de overkant, de groenteboer, een telefoonwinkel, wasserette, supermarkt. Overal liepen mensen waarvan je kon zien dat ze haast hadden, ondanks dat de metro veel sneller bewoog. Meteen na die gedachte remde de lange, verlichte slurf af bij het voorlaatste station en Rubens eindpunt.

Hij stopte zijn handen diep in zijn zakken toen hij het perron betrad. Zijn adem vormde wolkjes in de van donkerblauw naar zwart verkleurende avondlucht. Terwijl hij zichzelf in gang zette richting uitgang, dacht hij nog eens terug aan de blondine. De herinnering aan het stuk rank been wat hem passeerde toen ze uitstapte, tussen rok en laarzen in maillot verpakt, wond hem op. Hij ergerde zich aan zijn eigen verlangen. Hij vond het misplaatst en buitensporig om zo lang terug te denken aan een willekeurige passant. Alsof de gedachte dat hij die vrouw nogmaals zou ontmoeten en dat ze dan met elkaar mee zouden gaan, ook maar enigszins realistisch was.

Ruben lachte hardop, voor hij als laatste van een paar reizigers de straat en een stoplicht bereikte. Hij dacht aan de vrouw met wie hij samenwoonde. Hij verlangde naar haar kus, haar aanhankelijk warme lijf. Hij verheugde zich op de boerenkool die ze hem eerder vanmiddag via een appje beloofd had.

Tom Waits – Downtown Train